Stel je voor: een gewone avond in het gemeentelijk zwembad. Baan drie: een vrouw in burkini, rustig schoolslag, het donkere stof glanzend in het licht. Baan vier: ik. Spiernaakt.
Ik weet wat u denkt. Dat kan niet. En u hebt gelijk: het kan ook niet. Zij mag er zijn, ik niet. Het is een gedachte-experiment, dat geef ik meteen toe. Maar ik vraag u er even bij te blijven en te bedenken waarom het eigenlijk niet kan.
Want dat zwembad is van ons allebei. Het is gebouwd met hetzelfde belastinggeld, het water is even nat, de baan even lang. De vrouw in baan drie vraagt van de andere zwemmers dat ze een aanblik verdragen die niet iedereen bevalt. Een deel van Nederland vindt de burkini ongemakkelijk, sommigen vinden hem zelfs bedreigend. Toch hebben we als samenleving gezegd: zij hoort erbij. Terecht, vind ik.
En misschien zoeken zij en ik zelfs hetzelfde: niet bekeken worden zoals anderen ons willen bekijken. Zij bedekt zich daarvoor, ik kleed me uit. Daar kom ik op terug.
Ik vraag precies hetzelfde. Niet meer, niet minder.
Wie moet er wijken?
Wie dit beeld voor zich ziet, reageert meestal hetzelfde. Ik ken die reactie uit ervaring, in allerlei varianten: ‘ja, maar ik hoef jouw blote kont echt niet te zien.’ Bloot zijn wordt vreemd gevonden, afwijkend. En dus volgt vanzelf de vraag: als zij zich ongemakkelijk voelt naast jou, moet jij dan niet weg?
Merk op wat er gebeurt. Niemand vraagt het andersom. Niemand vraagt of de vrouw in burkini moet wijken als ík me ongemakkelijk voel. Gekleed is de onzichtbare standaard. Wie meer bedekt dan gebruikelijk, valt nog binnen ‘zwemkleding’. Wie minder draagt, valt erbuiten en moet zich verantwoorden.
Gekleed is de onzichtbare standaard.
Mijn antwoord is eenvoudig. Als de vrouw in burkini naar de badmeester stapt en vraagt of ik weg kan, hoort hij te zeggen: nee mevrouw. Deze meneer heeft net als u een geldig kaartje. U mag hier in burkini zwemmen, hij mag hier bloot zwemmen. Hij vraagt u ook niet om weg te gaan.
Dat klinkt naïef. Maar het is niets anders dan wat we al jaren van de andere kant vragen.
Het zwemuur
Ik zwem zelf vaak tijdens het naturistische zwemuur in ons zwembad. Er zijn geen afgeplakte ramen, er is niets geheimzinnigs. Het gewone vrij zwemmen is net afgelopen, de laatste zwemmers in badpak lopen nog rond terwijl wij binnenkomen en ons uitkleden. Niemand kijkt raar op.
Op dat moment van wisseling gebeurt wat in baan vier ondenkbaar lijkt: twee werelden lopen gewoon langs elkaar. Het kán dus. Het mag alleen niet tegelijk.
Andere zwembaden kiezen voor aparte uren voor vrouwen, vaak achter geblindeerde ramen; de gemeente Utrecht schreef dat al in 2011. Voorstanders zeggen dat sommige vrouwen zich in een gemengd bad niet veilig voelen. Dat neem ik serieus. Maar wie zo ver gaat in het faciliteren van de een, met eigen uren en afgeplakte ramen, kan ook best iets over hebben voor de blote mens. En elke oplossing die groepen uit elkaar haalt, blijft een vorm van opgeven. Je verdraagt elkaar dan niet, je ontloopt elkaar netjes op verschillende tijden.
Tegelijk beweegt er iets. In Berlijn mag sinds 2023 iedereen topless zwemmen, nadat een vrouw zich gediscrimineerd voelde omdat mannen het wel mochten. In Utrecht bleek het al langer te mogen. De Free the Nipple-beweging vraagt gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Ik vraag gelijkheid tussen wie meer en wie minder wil dragen.
Wat vrijheid eigenlijk vraagt
De Britse filosoof John Stuart Mill gaf in 1859 een eenvoudige toets: je bent vrij om te doen wat je wilt, zolang je een ander geen schade doet. De vraag wordt dan: is iemand iets laten zien wat hij liever niet ziet, schade? Als het antwoord ja is, geldt dat voor naakt én voor de burkini. Als het nee is, ook.
Karl Popper beschreef de paradox van de tolerantie: een samenleving die alles verdraagt, ook de onverdraagzamen, loopt het risico dat de verdraagzaamheid zelf verdwijnt. Ik zeg het wel eens korter: mijn vrijheid eindigt waar jouw onverdraagzaamheid begint.
De Duitse filosoof Rainer Forst legt de kern van tolerantie bij wederkerigheid: wat ik van jou vraag, moet ik jou ook gunnen. Verdraagzaamheid die maar één kant op loopt, is geen verdraagzaamheid. Het is een gunst.
Verdraagzaamheid die maar één kant op loopt, is geen verdraagzaamheid. Het is een gunst.
Mijn collega
Op mijn vorige werk had ik een collega, een Nederlandse vrouw die zich had bekeerd tot de islam. Ze vertelde me op een dag dat ze heel onzeker was, bang zelfs. Ze wilde graag een hoofddoek dragen op het werk, maar durfde dat niet. Ze hoorde om zich heen zo veel negatieve opmerkingen over moslims, dat ze niemand vertelde dat ze zich had bekeerd.
Ik bood aan haar te helpen het bespreekbaar te maken. Ik zei dat ik voor haar zou gaan staan, en ik weet zeker dat meer collega's dat gedaan zouden hebben. Ze wilde het niet. Uiteindelijk vertrok ze en vond ze een andere baan.
Haar angst was begrijpelijk, maar nooit getoetst. De communicatiewetenschapper Elisabeth Noelle-Neumann noemde dit de zwijgspiraal: wie denkt dat zijn opvatting in de minderheid is, zwijgt, waardoor die opvatting nog kleiner lijkt dan ze is. Er was meer steun voor haar dan ze dacht. Ze heeft het nooit geweten.
En dan het pijnlijke deel. Ik sprak met haar ook over mijn naturisme. Dat hield ik nooit verborgen; mijn collega's wisten het. De meesten vonden het prima, op afstand: ‘ik zou dat nooit doen’, ‘zo hoef ik je niet te zien’. Zij zei: dat moet je zelf weten, maar voor ons moslims is het onacceptabel. Ik zou jou nooit als vriend kunnen hebben. Later maakte ze het belachelijk: zoiets zou ‘bij hen’ ondenkbaar zijn.
Zij vroeg om verdraagzaamheid. Eigenlijk vroeg ze er niet eens om: ze nam aan dat ze die niet zou krijgen, en vertrok. En vervolgens veroordeelde ze mij. Ik vond dat vreemd. Ik vind het nog steeds vreemd.
Maar ik moet eerlijk zijn over het gewicht. Haar onverdraagzaamheid kostte mij een vriendschap. De sfeer op ons werk kostte haar een baan. Dat is niet hetzelfde.
Wat me het meest bijbleef, is dat ‘bij hen’. Zij was een Nederlandse vrouw. Haar ‘wij’ was geen afkomst, het was een keuze. Daar zit, denk ik, het eigenlijke probleem: er is geen gedeeld wij. Er is een hun en een ons. En ik betrap mezelf erop dat ik die woorden ook gebruik.
Ik heb het gevraagd
Ik wil niet naïever doen dan nodig. Ik heb deze vraag niet alleen aan mijn collega voorgelegd, maar ook aan andere vrouwen van wie ik weet dat ze een burkini dragen. Gezien heb ik dat nooit: onze werelden komen helaas niet bij elkaar. Hun antwoord was nee. Naast een blote man zwemmen of op het strand liggen, dat zouden ze nooit accepteren.
Ik spreek over de vrouwen die ik sprak, niet over ‘de moslims’. Maar ik doe ook niet alsof hun antwoord niet bestaat. In landen met een moslimmeerderheid zijn naaktstranden vrijwel onbestaand. Toen Turkije in 2010 zijn eerste naturistenhotel opende, uitsluitend voor buitenlanders, werd het na zes dagen gesloten, officieel om bouwkundige redenen. De werkelijkheid is wat ze is.
Hun recht op een burkini verdedig ik, en dat meen ik. Wel met één voorwaarde: dat het hun eigen keuze is. De filosoof Isaiah Berlin onderscheidde negatieve vrijheid, niemand houdt je tegen, van positieve vrijheid, je kunt werkelijk zelf kiezen. Of die keuze vrij is, kan ik van buitenaf niet zien. Die vraag laat ik aan u. En eerlijk gezegd stel ik haar ook aan mezelf.
Maman en D
En toch. De helft van mijn familie is Senegalees. Mijn nichtjes Maman en D zijn volwassen vrouwen, moslim en soefi. Ze gaan met mij mee naar het naaktstrand en wandelen bloot door het bos. Religieus voelen ze zich daar totaal niet door bezwaard. Ome Jan, hun naturistische oom, is voor hen een voorbeeld van vrijheid.
Voor Maman betekent bloot zijn: geaccepteerd worden en vrij zijn. Weten dat je als vrouw bloot kunt zijn zonder meteen als hoer of seksobject gezien te worden. Ze vindt het heerlijk dat die vrijheid hier bestaat.
Voor haar zus D gaat het vooral om het familiale. Het doet haar denken aan de matriarchale samenleving van de Serer, waaruit ze voortkomt: vertrouwdheid, samen horen, bij elkaar zijn. En de vrijheid om te zijn wie je bent, vrij van het mannelijke oog dat je alleen als seksueel object ziet.
Lees die laatste zin nog eens. Vrij zijn van het mannelijke oog: dat is precies het argument dat veel vrouwen geven voor hun burkini of niqaab. Hetzelfde verlangen, twee tegengestelde antwoorden. De een bedekt zich tegen dat oog. De ander maakt bloot zo gewoon dat dat oog geen vat meer krijgt.
Hetzelfde verlangen, twee tegengestelde antwoorden.
Mijn zoon is opgegroeid in naturistische omgevingen. Hij heeft nooit geleerd te oordelen over iemands lichaam, vorm of geslacht. Hij heeft nooit geleerd lichamen te seksualiseren. Wie zegt dat kinderen en bloot niet samengaan, koppelt bloot in zijn hoofd vooral aan seks. Bij ons is bloot gewoon bloot.
De grens loopt dus niet tussen religies. Hij loopt er dwars doorheen.
Zeven uur 's ochtends
Nog één gedachte-experiment. Het is zeven uur 's ochtends, het strand is leeg. Ik kleed me uit, zwem, ga liggen. Is het nu een naaktstrand?
De Nederlandse wet geeft een verrassend antwoord: misschien wel. Sinds 1986 is naakt recreëren volgens artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht alleen strafbaar op een openbare plek die daar niet geschikt voor is, buiten de plekken die de gemeente heeft aangewezen. Bij de invoering zei de minister dat een plek geschikt is als de grote meerderheid van de aanwezigen er geen bezwaar tegen zou hebben, en dat het zelfs kan afhangen van het tijdstip van de dag. De Hoge Raad oordeelde in 2015, in een zaak over het voormalige naaktstrand in de Delftse Hout, dat het per geval verschilt. Daarbij telt onder meer of anderen ongevraagd met naakt worden geconfronteerd.
Om zeven uur ben ik alleen. Dan komt er een tweede bezoeker: een vrouw in burkini. Zij is nu de helft van de aanwezigen. En de wet laat haar mogelijke bezwaar meewegen.
Daar zit de dubbele moraal, tot in de logica van de wet. Ja, sinds 2019 geldt het gedeeltelijk verbod op gezichtsbedekkende kleding. Maar dat gaat over herkenbaarheid op school, in het ziekenhuis, in het openbaar vervoer en in overheidsgebouwen. Niet over het strand om zeven uur, en niet over het ongemak van wie ernaar kijkt. Het ongemak bij naakt telt juridisch mee. Het ongemak bij een burkini, en ook dat bestaat, telt nergens.
Op het naaktstrand bij Kijkduin, waar ik graag kom met een vriendin, zie ik iets wat dichter bij mijn ideaal komt. Op drukke dagen liggen er steeds meer geklede mensen. Niemand vraagt hen te vertrekken, en niemand kijkt ons weg. Omdat het strand naadloos in elkaar overloopt, wandelen wij ook gewoon bloot door, tot ver voorbij de bordjes. Eerlijk is eerlijk: wij trekken ons niet zoveel aan van geboden en verboden. Wel vragen we ons steeds af of een plek op dat moment geschikt is, precies zoals de wet het bedoelt. Een groot bos op dinsdagochtend om zes uur, met een lege parkeerplaats: geschikt. Datzelfde bos op woensdagmiddag, als de scholen uit zijn: niet. En nee, ik ga niet bloot door de Koopgoot in Rotterdam. Ik ben niet gek. Het gaat om het principe: bloot is gewoon, en zou gewoon moeten zijn. En we merken dat het veel vaker kan dan je denkt, als je er zelf maar normaal over doet.
Het strand
Mijn mooiste samenleving is er een waarin ik bloot naar het strand ga, en er even later een busje stopt met vrouwen in burkini, die hun handdoeken een paar meter verderop uitspreiden. Ieder in zijn eigen vrijheid, op hetzelfde zand.
Zou dat kunnen? Ik denk het helaas niet. Niet nu. De vrouwen die ik sprak, zeiden nee, en ik geloof ze.
Maar elke week, bij de wisseling in het zwembad, lopen badpak en bloot gewoon langs elkaar. Bij Kijkduin liggen ze op drukke dagen naast elkaar in het zand. En mijn nichtjes, moslim en vrij, lopen met me mee het strand op. Het kan dus wel. Alleen tussen bloot en burkini is het nog nooit geprobeerd.
Welke van de twee zou u in baan vier meer storen? En waarom eigenlijk?